Afgelopen februari heb ik uit Sicilie een ceder meegenomen. Als je er nooit een gezien hebt, moet je je voorstellen een uit de handen gelopen citroen met een dikke schil, zo groot als een meloen en helemaal pukkelig. Bijna een reclame voor het Tumoren Instituut.
Met het wit van de schil (2 cm. dik) en de binnenvrucht heb ik salade gemaakt (gewoon in stukjes snijden, zout en goed olijfolie erop), maar ik vond doodzonde die prachtig geurend pukkelige schil weg te gooien. Het leende zich slecht om te raspen voor in het deeg, zoveel thee met citroenschil drink ik weer niet, dus ik heb alle schil in een dikke glazenpot met goedsluitende deksel gedaan, in laagjes om en om met rietsuiker tussenin. Ik had ook een bergamot van de Noordermarkt in huis, die heb ik er in schijfjes ook in gedaan. Eigenlijk, kan je dit met alle onbespoten citrusvruchten doen wat je wilt. Nog een dikke laag suiker erbovenop, deksel goed dicht en op een vensterbank naar het westen (veel middagzon) enkele maanden laten staan.
Het staat wel in de weg, maar ik ook decoratief, en langsaamaan, het vocht in de schil en bergmot maakte spontaan een siroopje. Dus de schillen kan je als sucade gebruiken, het siroop in water om een limonade te maken, in de thee, in het taartdeeg, overal. Het bederft niet mits je altijd een superschoon en droog lepel gebruikt om de inhoud van de pot uit te vissen. Dan ook weer, een beetje gezond verstand doet geen kwaad. Het is niet de bedoeling dat pot en inhoud een familie erfstuk is die door de generaties heen overhandigd moeten worden. Gewoon lekker consumeren binnen een jaartje, zou ik zeggen.